Nieuws

Richard de Weert - Duoexpositie

 

Albert Hagenaars over de late debuutexpositie van Richard de Weert
Het moet een dilemma zijn, een met de nodige weerhaakjes. Ben je eindelijk zo ver dat je je beeldend werk wilt laten zien, tot stand gekomen in een tijdsbestek van bijna veertig jaar en verspreid over nogal wat disciplines, word je geconfronteerd met de vraag wat je dan zoal moet ophangen op die nog net niet dertig plaatsen die je ter beschikking staan. Kies je voor de breedte (je kunnen op het gebied van tekenen, schilderen, grafiek, fotografie en wat al niet) of voor de diepte (laat je zien waar je het verste in gekomen bent)?
Richard de Weert (1955, Bergen op Zoom) zag zich voor deze opgave gesteld. Samen met academiegenote Linda Lambrechts (1967, Berchem) die al een halve carrière in de wereld van de reclame en marketing achter de rug heeft, exposeerde hij in april 2012 bij de Vlaamse organisatie Tracé vzw in het voormalige treinstation van de Antwerpse voorstad Ekeren, een ruimte die sterk aan aantrekkingskracht heeft gewonnen dankzij een onlangs aangebrachte lichtkap. Hun eveneens gezamenlijk uitgebrachte catalogus bewijst, dat ze er goed aan hebben gedaan hun krachten te bundelen voor deze dubbele debuutexpositie. Er zijn namelijk meer overeenkomsten dan verschillen, een resultaat dat niet alleen gebaseerd zal zijn op hun selectie van getoonde werken maar zeker ook op hun keuze om een opleiding te volgen aan het MUDA (Multidisciplinair Atelier, een afdeling van de academie Sint-Lucas in Kapellen) dat, de naam zegt het al, de meest uiteenlopende disciplines aanbiedt. De Weert was daar vijf jaar actief. Beiden bestrijken het volledige gamma van figuratief tot abstract en van tonaal tot coloristisch en willen diverse technieken laten beoordelen, aan de hand van overwegend producten van bescheiden afmetingen, wat overigens beïnvloed kan zijn door de intieme maar tegelijk ook beperkende expositieruimte van het station.


 




De Weerts deel van de tentoonstelling werd opgedragen aan zijn vroegtijdig overleden broer Noud. Deze hoog begaafde man was niet alleen schrijver, dichter en vertaler (hij zette diverse talen naar het Nederlands over én omgekeerd!) maar ook een begiftigd schaker. Noud de Weert deed o.a. aan nationale kampioenschappen mee in België, het land waar hij zich vanwege de liefde vestigde. Hij was ook actief voor De Goudvink, een Antwerps uitgevershuis dat sinds 1972 geen boeken meer uitgaf en in 1982 officieel werd ontbonden. De mogelijkheid bestaat dat zijn nagelaten geschriften verloren gegaan zijn bij een opruiming in de woning van een andere broer in Amsterdam. Het is hoe dan ook nog steeds een raadsel voor zijn collega’s, vrienden en familie dat hij ondanks zijn werkdrift en talenten nooit een werk van zichzelf uit wilde geven. Zoiets fascineert nu eenmaal. Zou het een toeval wezen dat de openingsdatum van de tentoonstelling, te weten 14 april, overeenkwam met de sterfdag van Noud, ofwel Arnold zoals hij in Vlaanderen bekend stond?
Richard de Weert, opgegroeid in een gezin met vijf oudere broers die gretig allerlei populaire jongerenbladen lazen, begon als kind met tekeningen die geënt waren op de rijke, voornamelijk Franse en Vlaamse stripcultuur. De tekenaars van zijn helden, o.a. Dick Bos, Tom Poes en Ollie B., Blake & Mortimer en De Rode Ridder, waren zijn voorbeelden. En niet de minsten. Op de cartoons die hij ophing schemeren nog steeds perspectieven van o.a. Robert Crump, Edgar P. Jacobs, Hergé en Hans G. Kresse. Frappant is dat laatstgenoemde, hoewel De Weert dat tot voor kort nooit geweten heeft, niet alleen qua tekentrant vlakbij was maar ook fysiek, Kresse woonde namelijk lange tijd amper anderhalve kilometer verderop, in de Bergse wijk De Rode Schouw.
Met de cartoons, nu modest aandacht vragend op vier kolommen met elk vijf tekeningen, kon De Weert al vroeg een eigen, meteen herkenbaar idioom tonen. Tientallen jaren leverde hij tekeningen, die alle tinten van humor uitstralen, van ironie tot sarcasme en van licht vertekend tot absurdistisch, aan tal van bladen. In deze hoek zat voor hem dus niet meer de uitdaging. Gelukkig verloochende hij deze achtergrond, deze bakermat ook, niet.
Het meest in het oog springen enkele grotere werken en dit niet alleen vanwege hun omvang en strategische plaatsing. Daar is het in acryl uitgevoerde doek ‘Gestopt!!’, dat een deel van een volle asbak voorstelt. Het is realistisch weergegeven maar tegelijk ook met zo’n vaart neergeborsteld dat het plezier er van af spat. Als weelderige courtisanes lonken drie voortijdig uitgedrukte peuken, wel elk met een verschillend wit rookdeel, op hun kussens van as naar de beschouwer. Het is een geslaagde metafoor voor leven, lust en dood. Roken, toegeven aan de fysieke behoefte en de zintuiglijke roes, pleegt nu eenmaal een aanslag op de gezondheid. Hoe lekkerder, hoe langer ook het genot, hoe korter de levensverwachting. Daarnaast, ironie is nooit ver weg bij De Weert, hoe zeker is het dat de roker daadwerkelijk de kracht opbracht om ermee te kappen? Er staan tenslotte twee uitroeptekens achter de titel, net één te veel. In een situatie dat iemand het echt klaarspeelde definitief te stoppen, zou je toch eerder een asbak met alleen as verwachten of, psychologisch aantrekkelijk, slechts één peuk, die dan wel tot het mondstuk was opgerookt? Maar nee, er liggen er drie, elk geknakt en dus niet volledig genuttigd. Dat wijst eerder op de frustratie niet zomaar te kunnen ophouden. Je kunt de voorstelling ook verbinden met het ontstaansproces: juist het stoppen of willen stoppen met roken, met een bezigheid die met ziekte en dood geassocieerd moet worden, levert een kunstwerk op, een schildering die een langer leven ambieert dan dat van zijn maker. Het kan ook haast niet anders; iemand die met de dubbele bodems van cartoons en spotprenten is opgegroeid, die daar volledig van is doortrokken, moet wel naar meerduidigheden zoeken in werk dat daaruit voortgevloeid is.


 




Heel anders van opzet en techniek zijn twee afleveringen van de serie ‘Mens & Massa’ en wel de nummers IV en V. Het betreft digitale fotobewerkingen van monografiek, vastgelegd in diverse fases en daarna gedrukt op aluminium. Wellicht waren het aanvankelijk compositiestudies. Op deze expositie behoren ze evenwel tot de best geslaagde werken, zowel qua kleur als vorm. De naam geeft al een relatie aan tussen individu en groep en bij De Weert werd dat een spanningsveld dat direct de aandacht opzuigt. Nummer IV is mooier, esthetisch gesproken, en opener. Zo danst het meest rechtse personage zich zelfs uit het verband los, maar nummer V heeft door de grotere rol van de schaduwen en de meer gedrongen groepsvorming iets dreigends. Als het al z’n bedoeling was een contrast tussen beide uitwerkingen te geven, is De Weert hier wonderwel in geslaagd. Groter weergegeven zou vooral nummer V nog overtuigender overkomen.

 



 




En nog weer heel anders is ‘New Life V’, dat goed vergeleken kan worden met de nummers I t/m IV, die gezien de verschillende techniek voornamelijk hun titel gemeen hebben. Hier niets dat op bedachtzaamheid wijst, het uiteindelijke resultaat van een arbeidsproces. Integendeel, de bloemachtige vorm lijkt organisch tot stand gekomen, achteloos haast, ongezien, op zichzelf gericht. Het werkje, een tekening in gesmolten was met pigmentpoeder, is ook kleiner dan de eerder genoemde stukken. Toch weet het z’n bestaan in alle bescheidenheid kenbaar te maken. Hoe langer je kijkt, hoe meer er gebeurt: er is een geraffineerd spel te zien tussen tere, voorzichtige, zoekende vormen en harde, directe, en hetzelfde geldt voor de kleuren. Het getuigt van vakmanschap, én smaak, om zoveel schakeringen van uiteenlopende kleuren toch in één tonaal gareel te krijgen. Ik nam spontaan een bloem als vergelijking maar dat is niet nodig; de kwaliteiten van dit kleinood veranderen niet als je een figuratieve vertaling afwisselt met een abstracte. Het is zichzelf, onafhankelijk, ongenaakbaar in kwetsbaarheid.
 




Van ‘New Life V’ naar de monoprint ‘Kracht’ is, ongeacht hun beider verlegen formaat, een grote overgang. ‘Kracht’ stráált z’n naam als het ware al uit. In enkele grote vegende en rollende bewegingen met een organisch voorwerp drukt het een vorm uit die aan een menselijke houding doet denken, een houding van onverzettelijkheid: opgetrokken schouders, kop naar beneden, benen uit elkaar. Naar later bleek werd dit werk uitgevoerd met de helft van een doorgesneden rode kool, wat niet alleen de rode kleur (van inkt natuurlijk) verklaart maar ook de mogelijkheid biedt het resultaat van dichtbij te bekijken en te genieten van de nerven en bladvormen, die zo ondergeschikt lijken aan de hoofdlijnen maar die toch mede bepalen. ‘Kracht’ bewijst eens te meer dat De Weert overzicht kan houden, zich niet verliest in gepriegel maar ook niet toegeeft aan gemakzucht, al gauw uitgelokt door het Grote Gebaar. Toch zou ook ‘Kracht’ nog aan kracht winnen als het op een wandgroot formaat tot stand kwam. Lees in deze opmerking zeker een aansporing.

 



 

Over gepriegel gesproken. Daar denk je aan bij het zien van het in hoogdruk uitgevoerde ‘Good Luck’, dat jammer genoeg niet in de catalogus werd opgenomen. Het is een raadselachtige prent met een duel tussen kleurvelden en lijnen, tussen de kleuren pruisisch blauw en roestbruin maar, meer nog, tussen spiegeling en afwijking, tussen rechte lijnen en ronde, tussen orde en chaos. Het klopt en het klopt niet. Het is daarmee ook een eerbetoon aan het belang van de dissonant. Juist wat je aanvankelijk als gepriegel kunt benoemen, ontwikkelt zich bij het beschouwen als het onontbeerlijk handschrift dat je doet blijven kijken en vergelijken. Geen wonder dat ‘Good luck’ net als ‘Kracht’ al snel verkocht werd. Het zal waarschijnlijk nog meer dan de andere, toch al niet schaars met suggestie geladen, werkstukken van De Weert aanzetten tot de meest uiteenlopende associaties en, wie weet, verklaringen. Niet voor niets wordt het middelpunt op verschillende wijzen doorsneden, terwijl het daarbij alles verenigt. Daar komen de kleuren samen, en de golvende en rechte lijnen, en trekken vierkanten en driehoeken zich samen tot een ruit, hetgeen gemakkelijk aanzet tot meditatieve overwegingen. Alternatieve titels die zich spontaan bij mij aandienden waren o.a. ‘Eenheid in verscheidenheid’, ‘Strijd’ en ook ‘Inzicht’. Ik ben echter de eerste om toe te geven dat ‘Good luck’ veel beter is; hij stemt nog meer tot nadenken, hij is humoristisch als je open wil staan voor ironie maar hij kan ook nog geduid worden als een groet, een afscheidsgroet dan wel. Op dit laatste door associërend kun je dan tot de conclusie komen dat De Weert definitief afscheid van dit kunstwerk neemt en het succes wenst in het van de maker onafhankelijk geworden bestaan, of dat hij zich tot de eventuele nieuwe eigenaar wendt en die geluk wil wensen in de omgang met zijn aanwinst. Maar ook als De Weert zoiets helemaal niet bedoeld heeft, dan nog kunnen we er niet omheen dat ‘Good luck’ in hoge mate interactief is, om niet te zeggen hyperactief. Het spreekt meerdere talen, is vergeven van de contrasten en dat zijn nu eenmaal juist de kenmerken die erkend grote kunst vaak bezit. Of ‘Good luck’ grote kunst genoemd mag worden valt nog te bezien, daarvoor is veel meer tijd nodig, het patina van de reacties van volgende generaties, maar voor ondergetekende is het wel een hoogtepunt van deze verrassende uitstalling in Tracé.

 



Ook over andere geselecteerde werken, maar niet allemaal, valt veel boeiends te vertellen. Plaatsgebrek noopte echter tot het leggen van bovenstaande accenten.
Richard de Weert is met de meeste opgehangen producten geslaagd in z’n opzet, namelijk om eerstens verantwoording af te leggen over z’n tijd aan het MUDA en tweedens te laten zien waar de sterkste impulsen te onderscheiden zijn voor het vervolg. Ik zou zeggen dat hij in elk geval verder moet met de gemengde technieken. En een vervolg is nodig! De basis is breed en verankerd, nu moet hij daarop gaan bouwen, zich specialiseren dus ook. Veel tijd heeft hij niet meer maar bij leven en welzijn nog meer dan dubbel zoveel als zijn streekgenoot Vincent v.G., die in amper tien jaar een oeuvre schiep dat de wereld nog altijd in verrukking en verbazing bevangen houdt en dat terwijl de man in kwestie een heel wat zwaardere last had mee te torsen. De kans is uitermate klein dat een late beginner tot zo’n belangwekkend oeuvre weet te komen. Mijn punt is dan ook veeleer symbolisch bedoeld. Het moet voor De Weert, afgaande op o.a. de hierboven besproken werken, op de groei die in vele opgloeit, mogelijk zijn een eigen top te bereiken. Na deze expositie, die daarvoor gelukkig te weinig vrijblijvend is, kan hij niet anders meer, tenzij hij aan z’n eigen idealen meent te moeten verzaken. Dat mag niet gebeuren en deze korte bespreking hoopt daar een rol bij te spelen.



 

Eerder gepubliceerd in De Verborgen Hoek, juni 2012



Bron: Albert Hagenaars